Welkom op de Weblog Gritter!

maandag 18 maart 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 11: Kerk of kroeg

kerk of kroeg:
het is nog vroeg
de duvelstied moet nog komen

De kerk van Kweldergat, een laatromaans bouwwerk uit de dertiende eeuw met losstaande toren, werpt op zonnige ochtenden zware, zwarte schaduwen op de buurman: Café De Jutter. Aan het einde van de dag, als de zon richting het westen draait om zijn nachtelijke rustplaats te vinden, zijn de rollen omgedraaid: dan zet het hoge pand van De Jutter de kerk in het donker. 

Ook het pand van De Jutter heeft diepe historische wortels. In de vijftiende eeuw werd het als herberg gebouwd in opdracht van de toenmalige heer van de Waddenburcht, Alfreth Ruyndael. De kroeg met kamerverhuur kent sindsdien een bonte historie vol uitbaters, kastelijnen en herbergiers, met de Fries Tjerk Wielinga als huidige kroegbaas. 

De tijd dat de kerk in de schaduw van de kroeg lag, werd sedert eeuwen de duvelstied genoemd: de tijd van de duivel. In de oude tijden zorgden de godvrezenden dat ze op dat tijdstip veilig thuis waren en de luiken hadden gesloten. De goddelozen trokken er op dat moment juist op uit om samen te komen in de kroeg van Kweldergat.

Op een kletsnatte maartse zondagmiddag stond Gerrit Kiter rond een uur of drie op het smalle, verlaten marktpleintje dat tussen de kroeg en de kerk van Kweldergat lag. Gerrit was komen lopen van zijn huisje aan de oostkant van het dorp. Zijn spijkerbroek en zijn zwarte jas waren doorweekt. Regen droop via zijn Panamahoed naar beneden. De oude dichter probeerde een sigaret op te steken, maar de aansteker was te nat. 

In zijn hoofd vormden zich uit het niets enkele regels voor een blues gedicht, een gedicht over een lange mars richting vrijheid door maartse buien en over modderige paden waarover hij tijdens de wandeling naar het pleintje had nagedacht. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ mompelde hij. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf / Het hoofd gebogen, gedwongen braaf.’

Gerrit twijfelde. Al zijn hele leven, aan en over van alles, maar nu, in de regen, in het bijzonder tussen kerk en kroeg. Tussen kerk en Tjerk.

In het café zou hij een goed opgestookte kachel treffen, alsmede een goed glas bier en - veelal - aangenaam gezelschap. De gesprekken zouden laveren tussen de zin van het leven, het weer van volgende week en het falen van de plaatselijke politiek. Af en toe pakte hij of een ander een gitaar om een lied te doen. Gevraagd en ongevraagd donderde er soms een gedicht door de kroeg, van Gerrit of een andere gast.

De kroeg. Maar in de kerk was nu een poëziemiddag gaande, rond het thema ‘Zin’. Dominee Ranselbeek had Gerrit persoonlijk voor de middag uitgenodigd. Echter niet als dichter, om enige voordrachten te doen, maar als gast. 

De zeven dichters die wel zouden optreden, kwamen van ver. Drie kwamen uit Stad, de overigen uit het westen van het land. Allen zouden netjes hun reiskosten vergoed krijgen en een fatsoenlijke beloning inclusief consumptiebonnen tegemoet kunnen zien, nu de middag mede georganiseerd werd door de Kulturele Kommissie Kweldergat. Deze commissie organiseerde culturele activiteiten in het dorp, maar liet die steeds, in overleg met dominee Ranselbeek, in de kerk plaatsvinden. Kroegbaas Tjerk Wielinga had de voorzitter van de Kulturele Kommissie, burgemeester Wilbert Wildhart, wel eens gevraagd of de commissie niet eens een leuke activiteit in de kroeg zou kunnen organiseren. Een optreden van een bekende artiest, bijvoorbeeld. ‘De Kommisje het gjeld sat,’ had Tjerk gezegd. ‘Als jo wat organiseerje in mijn kroeg, af en toe, dan heb ik ek wat beleg op mijn boterham. Maar waarom gebruke jo steeds de kerk?’ Er was een kleine stilte gevallen. ‘Het is simpel, Tjerk,’ had de burgemeester geantwoord. ‘Het is zo, omdat we het altijd zo hebben gedaan. Denk je dat jouw komst uit Friesland dat zo maar verandert?’ De burgemeester barstte daarop in een lachen uit en was de kroeg uitgelopen, Tjerk in verwarring achterlatend. 

‘Je kunt natuurlijk het ene doen, en het andere niet laten,’ dacht Gerrit. Even later stapte hij de kerk binnen. De grote deur gaf toegang tot een voorportaaltje, waarna een deur voor hem naar de kerkzaal werd geopend door iemand van de Kulturele Kommissie, die een vinger op haar lippen hield om Gerrit te manen tot stilte. 

De deur werd zachtjes achter hem gesloten. Het publiek in de kerkbankjes keek hem verstoord aan, maar richtte de blik weer snel op de kansel, waar een in het zwart gestoken dichter monotoon mompelend frasen uitsprak, die verdronken in de galmende akoestiek van de kerk. Nadat de dichter zijn gedicht had gelezen, daalde hij via een wenteltrap naar beneden. 

Er volgde geen applaus. Wel een lange stilte, die werd gevuld met het geluid van druppend water, regenwater dat uit Gerrits kleding en van zijn hoed drupte. Elke druppel die op de betonnen vloer viel, galmde hoorbaar in de ruimte. Wederom draaiden diverse gasten zich met een verstoorde blik naar hem om.

Op het moment dat een volgende dichter opstond om met een dichtbundel in de hand de kansel te beklimmen, opende Gerrit zijn mond. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ riep hij, met exact het juiste volume om voor een ieder verstaanbaar te zijn. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ zei hij nogmaals. ‘Het hoofd gebogen, gedwongen braaf.’

Enkele dames uit het publiek slaakten verschrikt een gil, enkele heren lieten brommend hun afkeer blijken. Voorin de kerk stond de burgemeester op, die hem streng aankeek en zijn hoofd schudde. 

Gerrit draaide zich om en verliet de kerk. Buiten was het droog, een waterig zonnetje aaide het dorp. Gerrit stak het marktpleintje over en liep zo van de kerk naar de kroeg van Tjerk. ‘Zo ben ik mooi voor duvelstied onderdak,’ dacht hij toen hij het lawaaiige café binnen ging. 

Wordt vervolgd

maandag 11 maart 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 10: Sarah en Wilbert

de maan trof de zon
even groot, even rond
zwart licht spoelde
over de Aarde

Sarah Wildhart opende de gordijnen van de slaapkamer. Ochtendlicht stroomde binnen. Het was fel genoeg om amateurhistoricus en oud-ambtenaar Dirk Jenstra, die nog in bed lag en sliep, te wekken. Hij kreunde zacht. Sarah glimlachte. ‘Sorry lieverd,’ zei ze. ‘Maar kijk eens op de klok.’ Het was even na tienen. ‘Ik voel al mijn spieren,’ zei Dirk met een dikke stem. ‘Zijn we niet te oud voor die… nachtelijke toestanden?’ Sarah glimlachte weer. ‘Ik voel me kiplekker Dirk. En, zal ik je zeggen, ik heb me ook in jaren niet zo goed gevoeld.’
Dirk plaatste zijn kussen achter zijn rug en ging rechtop zitten in bed. ‘Toch vreemd hoe het is gelopen, vind je niet?’ zei hij, nog steeds een beetje slaperig. ‘Zo toevallig allemaal. Ik bedoel: als je die ochtend niet op zoek was gegaan naar mij in het oude archief, dan had je het lijk niet gevonden. Dan was je niet verhoord door de politie en had je niet hoeven melden dat je in het archief op zoek was naar mij.’
‘Ja, maar dat had nog niets te betekenen natuurlijk,’ zei Sarah.’We zitten al tien jaar samen in het bestuur van de Historische Vereniging. Als ik je dan ga opzoeken in het oude archief van het gemeentehuis, waar je vaker komt, dan is dat alleen al om die reden niet zo gek. Maar goed, daar liet ik het dus niet bij.’
Dirk lachte. ‘Nee, je legde direct je hele hebben en houden bloot…’
‘Ik weet niet wat me bezielde, Dirk. Die rechercheur stelde me op een zodanige geraffineerde manier vragen, dat ik het idee had dat ik iets moest bekennen. Nou, dat was dus onze geheime relatie. Terwijl ik ook had kunnen zeggen: als penningmeester van de Historische Vereniging Kweldergat en Wadhuysen wilde ik even bij de voorzitter van de vereniging langs die vermoedelijk in het archief aan het werk was. Maar het is goed zo, ik voel me opgelucht.’
‘Ik had je nog verteld dat ik pas later in de week naar het archief zou gaan.’
‘Ja, achteraf wist ik dat weer. Maar ik trof Wilbert niet op zijn werkkamer en dacht alleen: misschien tref ik Dirk wel beneden. Ik wilde je gewoon even zien.’
Dirk spreidde zijn armen in een uitnodigend gebaar. ‘Ik ben ook blij dat het zo gelopen is, Saar.’
‘Gelukkig Dirk. Maar ik kom niet meer in bed. Ik heb zin in koffie.’

‘Het had gewoon zo moeten lopen Wilbert,’ zei Karel Kryns. De wethouder liep samen met burgemeester Wildhart in de bezinningstuin van het Zwart Licht Genootschap, een geloofsgemeenschap die Kryns samen met zijn vrouw in een oude boerderij ten westen van het dorp Wadhuysen bestierde. ‘Het had zo moeten lopen Wilbert,’ zei Kryns nogmaals. ‘Je voelt je meer en meer aangetrokken door het licht Gods. Hij heeft je geroepen tot zijn Hemelse Bad, om te weken, om schoon te worden. Om als herboren en droog gewreven in schone kleren te kunnen stappen. Sarah heeft je daarin nooit gesteund. Nooit heeft ze een keer gekeken hoe het stond met de temperatuur van het badwater. Nooit heeft ze de moeite genomen te bezien of er voldoende handdoeken in de kast lagen.’
‘Metaforisch, dan,’ zei Wildhart.
‘Metaforisch, Wilbert. Strikt metaforisch, natuurlijk. Kijk, onze God is niet monogaam. Hij is getrouwd met een ieder die van Hem houdt. Hij is de herder, wij de schapen. Maar om ten volle te kunnen genieten van dit hemelse huwelijk, dit verbond met onze herder, moeten wij aardse schapen proberen wel monogaam te zijn. In een goed georganiseerde kudde volgen de schapen de herder, Wilbert, en niet elkaar. Ons hart is groot, immers, maar niet oneindig. Maar: juist groot genoeg voor onze Heer.’
‘De zon en de maan.’
‘Juist Wilbert, de zon en de maan. Je hebt goed opgelet. De schijf van de maan valt precies over de schijf van de zon. Op een dag  dag van het zwarte licht, tijdens een zonsverduistering, zien we dat ons hart net groot genoeg voor de Heer.’
Ze kwamen aan het einde van de tuin. Achter hen de grote boerderij, voor hen, in de verte, de oude, lage slaperdijk. ‘Maar Wilbert, jij bent ook getrouwd. Ik bedoel: als iemands hart gevuld is met liefde voor God, als iemands hart daar vol van is, dan ben jij dat. Waar is dan nog ruimte voor mevrouw Kryns? Ik weet dat dit heel direct en persoonlijk gesteld is, maar toch.’
‘Een hele goede vraag, Wilbert. Een hele goede vraag. Zie Titia en mij als twee schapen die toevallig steeds naast elkaar voorop lopen, dicht bij de herder die ons leidt over de hemelse heide. Sarah is de wolf die jou juist bij de kudde vandaan wil jagen. Die jou wil isoleren. Die jou wil verschalken.’ Een felle blik flakkerde in Karels ogen, een blik die snel weer doofde. ‘Metaforisch natuurlijk,’ zei Karel. Metaforisch.’
Wildhart knikte. ‘Juist, metaforisch, Karel.’
Ze liepen stil over slingerende paadjes terug naar de boerderij. Af en toe troffen ze een lid van het kerkgenootschap op het pad, mediterend bij een boom of een struik.
‘Dank je wel Karel, voor je tijd en je wijsheid,’ zei Wilbert toen ze bij de boerderij waren aangekomen.
‘Graag gedaan natuurlijk,’ zei Kryns. ‘Ik neem aan dat ik je woensdag hier weer zie?’
‘Woensdag? Hier?’
‘Het is dan Biddag voor Gewas en Arbeid. Die dag bidden we de gehele dag voor een goede oogst en hardwerkende arbeiders. Voel je welkom.’
‘Natuurlijk kom ik. Het gemeentehuis is dan dicht. Karel, dit moet me van het hart: ik voel me bevrijd. Ik hoef niet met Sarah te overleggen of het goed is dat ik hier dan de hele dag ben.’
‘Helemaal goed. Voor eten wordt gezorgd: Titia gaat weer voor iedereen linzensoep koken.’

Wordt vervolgd

maandag 4 maart 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 9: De Waddenburcht

het ligt al jaren
in nevelen gehuld
in de Wadderbocht:
het oude slot
de Waddenburcht

In de kerstnacht van 1717 woedde een zeer zware noordwesterstorm in het noordelijke kustgebied. De woedende wind beukte aanhoudend op de Groninger dijken, die uiteindelijk braken en het zeewater lieten gaan waar het niet was gewenst. Vele dorpen werden van de kaart geveegd. Alleen al in Groningen kostte het extreme weer aan meer dan tweeduizend mensen het leven.

Ook de dorpen Kweldergat en Wadhuysen werden zwaar door de storm geteisterd. Kweldergat werd vrijwel volledig weggespoeld.  Het oude vissersdorp droeg op treurige wijze bij aan de statistieken: ongeveer honderd dorpelingen werden door de stormvloed verzwolgen.

Wadhuysen wordt vaak vergeten in de stormvloedstatistieken. Alle inwoners overleefden de natuurramp namelijk, op één na: Hendrick Lodder, koster van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Wadhuysen. Bij het naderen van de stortvloed luidde hij in opdracht van de dominee de klokken van de kerk lang en luidruchtig. Maar het noodlot was zuur: juist op het moment dat hij zichzelf in veiligheid wilde stellen, brak de bronzen klok. Een deel viel op fatale wijze op zijn kale hoofd.

Alle andere bewoners wisten de onheilsvloed te overleven door te vluchten naar de Waddenburcht, die de grote toegangsdeuren aan de zuidkant bij het bemerken van de storm dadelijk wijd open had gezet. Het grote kasteel lag in die tijd nog aan de kust, een kilometer of drie ten noorden van het dorp Wadhuysen. Het lag op een grote, massieve rots, met oostelijk en westelijk geleidelijk naar het zuiden aflopende dijken.

Terwijl de Wadhuysers - op de toenmalige koster na - genoten van de bescherming van de hooggelegen burcht aan het Wad en baden voor hun geliefden in Kweldergat en andere plaatsen aan de kust, sloegen storm en vloed de westelijke dijk kapot waardoor het water het zuidelijk van de burcht gelegen land overspoelde. Het razende water reed voort op de noordwester, maar trof al snel de wierde van Wadhuysen. Het zeewater kaatste via de wierde naar de oostelijke dijk, en sloeg die genadeloos van binnen uit aan gort. De Waddenburcht kwam zo geïsoleerd te liggen, omringd door wild stromend water.

Nadat de kerststorm was gaan liggen en de wonden waren gelikt, werd het dijkherstel voortvarend ter hand genomen. Iets té voortvarend, vermoedelijk. Weliswaar kreeg Kweldergat een nieuwe, verhoogde dijk, maar door een rekenfout van een ambtenaar van de Republiek boog de nieuwe zeedijk naar beneden af en ging die onder het dorp Wadhuysen lopen, dat daardoor buitendijks kwam te liggen.

Toen alle bestuurlijke procedures om de fout te herstellen eindelijk waren doorlopen, waren de werkzaamheden afgerond. Er was niet genoeg geld meer beschikbaar om de dijken oost en west van de Waddenburcht alsnog te herstellen. Daarmee was de Wadderbocht geboren, en was de burcht los van het land geraakt en was de rots waarop ze was gebouwd een eiland geworden. Dat eiland werd na verloop van tijd simpelweg Waddenooghe genoemd: het eiland in het Wad.

Uit de Wadhuyser archieven blijkt genoegzaam hoe het lokale bestuur en de lokale bevolking de gang van zaken rond de aanleg van de nieuwe dijk in het geheel niet konden waarderen. Opmerkelijk is dat uit geen van de overgeleverde documenten blijkt dat de heer en vrouwe van de Waddenburcht zich had aangesloten bij de verontwaardiging. Zou hij het resultaat - zijn burcht op een eiland en niet langer aan de kust - hebben geprefereerd boven de oude situatie?

In de Wadderbocht hebben eb en vloed sinds de kerstvloed van 1717 vrij spel. Bij hoogwater is de Waddenburcht ook enkel te water bereikbaar. Bij laagwater, echter, wordt het oude keienpad weer glinsterend zichtbaar: de oude weg van Wadhuysen naar de burcht. Zo is Waddenooghe dus eigenlijk een getijdeneiland.

Op een zachte, nevelige ochtend in februari liep een man bij laagwater gebogen over het oude keienpad naar de burcht. De weg was glad en glibberig. De man had een lange wandeling achter de rug, een wandeling die was begonnen bij zijn kleine witgepleisterde huisje aan de dijk aan westgrens van de gemeente Wadhuysen. Rond hem dansten witte slierten lucht.

Het pad liep geleidelijk omhoog, het eiland op. Op het moment dat hij nog een meter of twintig van de poort van de burcht verwijderd was, zwaaide een lage deur in de grote toegangspoort reeds voor hem open, in een warm gebaar van welkom.

Wordt vervolgd

maandag 25 februari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 8: Gedachten

onder stof van jaren terug
glimt een waarheid, zo wrang;
de ramen en deuren dicht
het doek verbergen
laat het stof onberoerd

In zijn werkkamer op de tweede verdieping van het gemeentehuis nam wethouder Andries Kooij nogmaals het geheime observatierapport door dat toezichthouder Rudolf Smit hem onlangs had gegeven. Of beter: het rapport dat door een anoniem persoon was opgesteld in een periode dat de toezichthouder zogenaamd een meerdaagse cursus volgde in Maastricht, een lange periode ziek was gemeld en nog eens op cursus was geweest. Want: nooit zou bekend mogen worden dat Kooij de toezichthouder had gevraagd de clientèle van Café De Jutter te Kweldergat minutieus in kaart te brengen. Het zou anders een acuut einde betekenen van zijn politieke carrière.
Kooij was ervan overtuigd geraakt dat uitbater Tjerk Wielinga meer wist van de vondst van het lijk in het oude gemeentelijke archief. Die kennis kon Tjerk alleen maar van iemand uit het gemeentehuis hebben gekregen, ervan uitgaande dat er niet vanuit politie of justitie was gelekt. Stel dat het één van zijn collega wethouders was geweest, of de burgemeester, die Tjerk op de hoogte had gesteld. Nu het gehele college geheimhouding had beloofd zolang het politieonderzoek nog gaande was, dan zou Kooij interessante informatie hebben waarmee hij later, indien nodig, zijn voordeel kon doen in het politieke proces.
In het geheime rapport trof hij diverse personen die hij niet kende. Maar ook las hij namen en zag hij foto’s van diverse gemeenteambtenaren die hij wél kende en die menigmaal meerdere uren onder werktijd in de kroeg van Tjerk te vinden waren geweest. Dat hoefde natuurlijk niets te betekenen, dacht Kooij. Maar toch omcirkelde hij de namen in het rapport, zodat hij ze later, indien nodig, eenvoudig kon terugvinden. Misschien lukte het Rudolf Smit om eens uit te vinden wat die ambtenaren zoal deden in de kroeg onder werktijd. Ook dat zou natuurlijk interessante en bruikbare informatie kunnen opleveren. Overigens had Kooij niet de indruk dat één van de Wadhuyser ambtenaren op de hoogte was gekomen van de vondst van het lijk. Weliswaar hadden de ambtenaren de nodige reuring gemerkt, veroorzaakt door het politieonderzoek, maar de vondst van het lichaam leek richting de ambtenaren zorgvuldig geheim gehouden. Maar zeker was dit allerminst.
Twee personen uit de klantenkring van Tjerk vielen Kooij in het bijzonder op: Sarah Wildhart, de burgemeestersvrouw, en oud-ambtenaar en amateurhistoricus Dirk Jenstra. De twee bevonden zich vele malen steeds op dezelfde momenten in het café te Kweldergat, hoewel ze nooit samen naar binnen gingen of samen de kroeg verlieten. Ze kwamen steeds kort na elkaar de kroeg binnen, en gingen elk apart weer weg.
Kooij wist dat Jenstra als enige met regelmaat in het oude archief kwam om oude documenten door te spitten. Zou de politie dat al weten? Dat betrof toch interessante informatie. En: waarom kwamen Jenstra en de burgemeestersvrouw zo vaak samen in het café? Toch wel bijzonder, dacht Kooij, dat zo’n illegale observatie zoveel moois kon opleveren.
Sarah Wildhart had het lijk in het oude archief gevonden, zo mijmerde Kooij. Het was het lichaam van een persoon die reeds twintig jaar geleden was overleden. Hoe heette hij ook alweer? Kooij bladerde in zijn notitieboekje. Arend Reegman, zo had de burgemeester gemeld. Niemand uit het college leek hem te kennen.
Het leek Kooij heel voorstelbaar dat Sarah de vondst van het lichaam aan Jenstra had verklapt. Met hun diverse gezamenlijke bezoeken aan de kroeg van Kweldergat zou kroegbaas Tjerk natuurlijk op allerlei manieren op de hoogte kunnen zijn geraakt. Hij was door Sarah en Dirk misschien in vertrouwen genomen. Of hij had in zijn kroeg hierover een gesprek tussen de twee opgevangen.
Kooij maakt enkele aantekeningen in zijn notitieboekje en borg die, met het rapport, zorgvuldig op in een la van zijn bureau die hij afsloot met een sleutel. Toch jammer, dacht Kooij, dat het nog niet was gelukt een collegelid met het lek in verband te brengen.

Burgemeester Wilbert Wildhart stond op uit zijn bureaustoel en liep naar het grote raam aan de noordkant van zijn werkkamer op de derde verdieping van het gemeentehuis. Zeemist trok langzaam landwaarts en was reeds halverwege de Wadderbocht. De torenspitsen van de Waddenburcht op het eiland Waddenooghe waren nog net zichtbaar.
Wildhart probeerde grip te krijgen op zijn gedachten. Hij had zojuist gebeld met de hoofdofficier van Justitie, die de voortgang van het onderzoek met hem had doorgenomen. Veel verder dan de identiteit van het slachtoffer en het feit dat hij al twintig jaar geleden was overleden was het onderzoek nog steeds niet gekomen. De hoofdofficier had de burgemeester het plan voorgelegd om binnenkort met de persvoorlichter van de gemeente en de persofficier bijeen te komen, om te praten over het moment en de wijze waarop de vondst van het lichaam het beste in de openbaarheid zou kunnen worden gebracht. Hopelijk leverde dit nog wat tips op uit het publiek, zo hield de hoofdofficier de burgemeester voor.
Wildhart zag het liefst dat de vondst van het lichaam niet naar buiten zou komen. Dat zou tot verwarring en onrust leiden bij de Wadhuyser bevolking, en veel oud stof kunnen doen verplaatsen dat beter kon blijven liggen.
Op dit moment lukte het Wildhart echter niet daar helder over na te denken. Zijn gedachten bleven namelijk haken bij iets anders dat de hoofdofficier hem in vertrouwen had gemeld: de inhoud van de verklaring die zijn vrouw onlangs op het politiebureau bij de recherche had afgelegd.

Wordt vervolgd






maandag 18 februari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 7: Vraag en antwoord

vragen, altijd vragen
het antwoord komt bij vlagen
hortend, stotend, moeizaam
de waarheid komt slechts langzaam

‘Fijn dat u even op het bureau kon langskomen, mevrouw Wildeman. En mijn excuses dat u zo lang moest wachten.’ Klaas Ruiter, een lange, slungelige man van begin vijftig in een vale spijkerbroek en roodgeblokt overhemd, ging tegenover Sarah Wildhart zitten aan het kleine tafeltje in een spreekkamer op het politiebureau. Hij ontgrendelde zijn iPad.
‘Het had weinig gescheeld of ik was opgestaan en weggelopen,’ zei de burgemeestersvrouw op verwijtende toon.
‘Nou, nogmaals mijn excuses mevrouw. Ik hoop dat u alsnog bereid bent enkele vragen te beantwoorden.’
‘Moet ik antwoorden?’ vroeg Sarah. ‘Ik bedoel, zwijgrecht enzo?’
De rechercheur glimlachte. ‘Een verdachte kan zich beroepen op zijn of haar zwijgrecht. U bent geen verdachte. U bent een getuige. Maar ook u bent niet verplicht te antwoorden.’
‘Ook een soort zwijgrecht dus.’
‘Ja. Zolang u niet door een rechter wordt gehoord hoeft u niets te zeggen.’
‘O. Nou. Kom maar op.’
‘Goed,’ zei Klaas. ‘Ik wil nog even met u terug naar die dag, begin januari. De dag dat u het lichaam vond in het oude archief van Wadhuysen.’
Sarah sloot haar ogen. Wanneer is dit nou een keer opgelost, dacht ze. We zijn meer dan een maand verder en het is kennelijk nog steeds niet duidelijk wat er is gebeurd.
‘Hier heb ik alles al over gezegd,’ zei Sarah. ‘Ik heb er al heel vaak over gesproken, met u en met uw collega’s. Het staat vast allemaal in uw laptop.’
‘iPad.’
‘Ik bedoel maar.’ Ze stond op. ‘Ik wil naar huis.’
‘Ik weet dat u al meerdere keren heeft verklaard, mevrouw Wildhart. Daar zijn we ook heel blij mee. Maar er is toch nog één aspect waar we graag iets meer van willen weten. Voor het totale plaatje.’
Sarah voelde zich nerveus worden. Ik kan nu doorzetten en weglopen, dacht ze. Maar ik durf niet. Dan komen ze een rechter halen en moet ik praten. Wat zou er gebeuren als ze ook bij een rechter haar mond zou houden?
Ze ging weer zitten. ‘Nou, even dan,’ zei ze.
‘Fijn, dank u. Mijn vraag is eigenlijk heel simpel,’ zei Klaas. ‘Toen u het lijk vond op de grond in het archief, wat deed u daar die dag?’
Sarah kreeg een vreemd, snijdend gevoel in haar buik, iets onder het middenrif.
‘Heb ik al verteld,’ zei ze met trillende stem. ‘Lees maar na op die… dat scherm.’
‘Volgens uw verklaring was u die dag naar het gemeentehuis gegaan omdat u uw man, de burgemeester, wilde spreken.’
‘Ziet u wel? Het staat er allemaal in. Ik heb ook gezegd dat hij er niet was. Nou, later hoorde ik dat hij een ommetje was gaan doen. Ik heb hem geappt. Staat dat er ook in? Ik hoop het toch wel.’
Klaas knikte. ‘Ja. Maar u vond het lichaam in de grote kelder onder het gemeentehuis. In het oude archief.’
‘Ik begin me een beetje aan dit alles te storen meneer Ruiter. Ik heb het idee dat ik niet helemaal serieus wordt genomen. Ik stel voor dat mijn man de burgemeester nog even gaat bellen met de hoofdofficier. Misschien kan die u eens vertellen hoe het hoort. Ik ga.’ Sarah stond opnieuw op.
Klaas sprak nu op iets luidere toon. ‘U was in het oude archief, mevrouw Wildhart. Een ruimte die al jaren niet meer wordt gebruikt.’
Sarah bleef in de deuropening staan. Ze voelde zich verlamd. Klaas vervolgde. ‘Het archief is alleen vanuit de centrale hal van het gemeentehuis bereikbaar, door middel van een speciaal pasje. Dat is een geheel ander deel van het gemeentehuis dan het deel waar de werkkamer van uw echtgenoot is.’
Sarah zweeg. Ze vreesde nu die ene vraag, de vraag die ook was gesteld door haar vriendin en buurvrouw Klaartje.
Was ze maar gewoon naar huis gegaan, dacht ze, toen haar was gebleken dat Wilbert er niet was. ‘Mevrouw Wildhart,’ zei Klaas. ‘U weet dat u niet tot antwoorden bent verplicht. Maar wat ik voor mijn totaalbeeld heel graag wil weten is: wat had u te zoeken in het oude archief? Waarom kon u daar überhaupt komen, door als vrouw van de burgemeester te beschikken over het juiste pasje?’
Sarah Wildhart bleef nog een tijdje in de deuropening staan. Langzaam liep ze terug naar het tafeltje en ging weer tegenover rechercheur Ruiter zitten. Ze zuchtte diep en sloot de ogen. Na een tijdje opende ze haar ogen weer, en keek ze Klaas aan. ‘Meneer Ruiter,’ zei ze. ‘Bent u een gelukkig mens?’
Klaas Ruiter antwoordde niet.
‘Ik bedoel,’ zei Sarah, ‘ik heb de indruk dat u uw werk fijn vindt. Mensen vragen stellen, dat soort dingen. Maar, ik bedoel: aan het einde van de dag gaat u naar huis. Bent u blij om thuis te komen?’
Klaas gaf niet direct antwoord. Hij voelde aan dat het gesprek op een cruciaal punt was beland. Hij besloot mee te gaan op het zelf door Sarah gekozen pad.
‘Ja, mevrouw Wildhart. Ik geniet ontzettend van mijn werk, maar ik ben ook zeker blij als ik bij mijn gezin kan zijn.’ Klaas liet een korte stilte vallen. ‘Is dat bij u ook het geval, mevrouw Wildhart?’
‘Meneer Ruiter, ik wil in alle eerlijkheid antwoord geven op uw vraag. Dat wil ik echt. Maar ik wil eerst bevestigend antwoord op mijn vraag: kan ik erop rekenen dat mijn antwoord vertrouwelijk blijft? Ik bedoel, dat wat ik u ga vertellen, niet buiten het politiebureau bekend gaat worden?’

Wordt vervolgd

maandag 11 februari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 6: De man op de dijk

in de stilte van de mist
fluisteren danseressen
in het witte rijk
niemand hoort ze, behalve
de man op de dijk

Driemaal daags beklom hij de zeedijk om het land rondom hem te aanschouwen. Om het met al zijn zintuigen te peilen. Des Ochtends, des middags en des avonds. Hij zag de zon opgaan en ondergaan, en hij zag hoe de aarde draaide daar tussenin. Door te zien en te luisteren probeerde hij de wereld te begrijpen. Zijn wereld, de wereld van hem die ook van alle anderen was, maar, zo leerde hij, toch ook weer niet.

Soms kon hij eindeloos ver zien. In de verre verte ontwaarde hij dan, heel in het klein, de windmolens en de rookpluimen van de Grote Haven. Dichterbij had hij dan zicht op de dorpen Kweldergat en Wadhuysen, elk met zijn eigen kerk.

Kweldergat lag vanuit hem bezien het verste weg van de twee dorpen, richting het oosten. Het oude vissersdorp lag binnendijks, bezuiden de grote zeedijk. Landinwaarts lagen uitgestrekte landerijen en enkele boerderijen, waaronder die van Berend Cram en zijn gezin. Ten noorden van Kweldergat, aan de andere kant van de dijk, lagen de drassige kwelders met hun verraderlijke geulen en misleidende paden.

Het dorp Wadhuysen, westelijk van Kweldergat gelegen, lag onhandig buitendijks aan een baai. De zeedijk maakte rond het dorp een slinger naar beneden en weer omhoog, waardoor het gehele dorp in een kom aan de zeekant van de dijk lag: de Wadderbocht. Drie dijkcoupures ontsloten het dorp vanaf landzijde. Bij noorderstorm en springtij sloten de coupures om het achterland van Wadhuysen te beschermen. Het dorp was dan aan zijn lot overgelaten, een speelbal van wind en vloed.

Veelal was het zicht niet zo helder, maar was het heiig. Wazig, lichtblauw grijs grijnsde het landschap hem dan toe. Soms echter zag hij vrijwel niets, door hardnekkige mist van zee of lage nevel uit de grond. Overal waar hij keek zag hij dan witgrijze vochtige lucht zonder diepte. Maar als hij op de dijk was als het mistte, was hij nooit alleen. Na enige tijd in de mist te hebben gestaan, maakten zich roomwitte slierten los uit de natte lucht die zich vormden tot zichtbare slanke danseressen die op de dijk rond hem bewogen. Onder het sierlijke dansen fluisterden ze hem verhalen toe, over de zee vlakbij en ver weg en over de dingen om hem heen: over de bloemen, de ruimte, het gras, de lucht. En over de zon, de maan, het land, en de dieren en de mensen.

Alles wat hem dansend werd toevertrouwd schreef hij op. Minutieus en geordend. Vele schriften en losse vellen schreef hij vol. Na enkele jaren, na duizenden volgeschreven papieren, begon hij lijnen en patronen te zien in de vele verhalen. Vreemde verbanden, soms, die hij ook weer beschreef.

Er was een tijd geweest waarin hij de verbanden en patronen, die hij ‘conclusies’ noemde, met anderen probeerde te delen. In de kroeg van Wadhuysen, in De Jutter bij Tjerk, bij de bakker, de slager en de supermarkt. Overal. Enthousiast vertelde hij over zijn belevenissen met de danseressen op de dijk, over de waarheden die hij hoorde, over de conclusies, in de hoop, met de wens, dat anderen hun voordeel konden doen met de diepe kennis. Maar het echte verhaal was rauw en ontzag niets of niemand. Het toonde de Wadhuysers hun plaats in een eeuwenoud systeem van baas en knecht, in een verbloemende illusie van vrijheid, in een vreemde verbondenheid. De Wadhuysers hoorden het voor het eerst. Niet slechts liefde verblindt, maar ook traditie en macht.

De man op de dijk werd al snel door de inwoners van Wadhuysen genegeerd. De reden was dat de boodschap hen niet beviel. Hij was een niet gewenste spiegel. De burgers van Wadhuysen gingen hem mijden en noemden hem een gek. De man op de dijk, de gek die met mist eenzaam en alleen op de dijk staat en doet alsof hij geesten ziet.

Door de Wadhuyser boeren, bestuurders en dominees, met wie hij ook veelvuldig sprak, werd hij nog feller op afstand gezet. Voor hen was hij niet alleen een confronterende spiegel, maar ook een bedreiging. Ware woorden die vanuit hun perspectief opruiend konden werken, woorden die waren gekeerd tegen hun macht.

Moedeloos en moe gepraat trok hij zich uiteindelijk terug in zijn witgepleisterde huisje bij de dijk. Hij was verward geraakt: waarom wenste niemand te horen hoe de wereld werkelijk in elkaar stak? Zouden de mensen met die kennis de boel niet opnieuw kunnen opbouwen? Anders en eerlijker? Was hij zo naïef te denken dat ook anderen baat zouden kunnen hebben bij zijn inzichten?

Met mist bleef hij luisteren naar het fluisteren van de danseressen op de dijk. Wat hij hoorde, schreef hij nog steeds op. Maar: nu voor hemzelf, niet langer ook voor anderen. Een zinloos werk, dacht hij lang. Nutteloos, nu niemand het wilde horen.

Op een mistige ochtend veranderde er iets. Terwijl hij luisterde naar de danseressen, verscheen uit het niets een andere man op de dijk, gekleed in rood-zwarte kleding. ‘We moeten eens praten,’ zei hij. ‘Over het ware, over het echte. Over de vellen die je hebt volgeschreven. Over hoe we die moeten bewaren. Zeker stellen. Maar we moeten ook praten over jou, over wat te doen als je ouder wordt, en alles niet meer zo gaat zoals toen je jong was. Kom gewoon eens op bezoek om dit te bepraten, bij laagwater. Je weet dat je niet alleen bent.’

De man knikte vriendelijk en liep weer weg, over de dijk richting Wadhuysen. De roomwitte danseressen gingen met hem mee en cirkelden om hem heen. Hij praatte en lachte met hen.
De man op de dijk keek zijn bezoeker na, die al snel verdween in de mist. Maar hij voelde, hij wist dat hij hem kon vertrouwen. Hij wist ook zeker wie hij was, ook al had hij hem niet eerder ontmoet of gezien. Hij wist dus precies waar hij moest zijn bij laagwater om te praten: bij de Waddenburcht op Waddenooghe.

Wordt vervolgd

maandag 4 februari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 5: Drieluik

een zwart geheim
in een rode lijst
fluistert stil verdriet
als de vloedlijn rijst

Er viel een lange stilte nadat burgemeester Wildhart in een speciale vergadering de wethouders Kryns, Cram, Redt en Kooij op de hoogte had gebracht van de identiteit van de in het oude archief gevonden man.
‘Ik wil nogmaals benadrukken dat ik jullie dit in vertrouwen heb gemeld,’ zei de burgemeester. ‘Het is beslist niet de bedoeling dat deze informatie buiten het college gedeeld wordt.’
Kooij en Redt wisselden snel een blik. Straks even bij Kooij informeren of de toezichthouder al heeft ontdekt wie de vondst van het lichaam heeft gelekt, dacht Redt. Met Kooij was hij ervan overtuigd dat kroegbaas Tjerk Wielinga van De Jutter in Kweldergat wist van het lichaam in het oude archief. Maar hoe Tjerk aan die kennis was gekomen, was vooralsnog onduidelijk.
‘Maar meer is dus niet bekend,’ zei Redt. ‘Alleen de naam van de man en hoe lang hij al dood is.’
‘Juist,’ zei Wildhart. ‘De politie weet mogelijk meer, maar dit is het enige dat mij is verteld.’
‘Maar het is dus ook nog niet duidelijk of hij door een misdrijf om het leven is gekomen,’ zei Cram.
‘Dat heeft de hoofdofficier bevestigd noch ontkracht,’ zei Wildhart. ‘Het onderzoek is nog in volle gang.’
‘Kent iemand dit arme schaap Gods?’ vroeg Kryns. De burgemeester en de overige wethouders schudden hun hoofd.
‘Ik had nog nooit van die naam gehoord,’ zei Kooij. ‘Jij kent hem ook niet?’
‘Neen,’ zei Kryns. ‘De naam doet bij mij geen enkele bel of koperen klok rinkelen dan wel luiden. Maar als het vermoedelijke moment van verscheiden klopt, heeft hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld toen ik me nog ophield op de Veluwe.’
‘Ik ken ook geen verhalen uit Wadhuysen van lang vermiste personen,’ zei Cram.
‘Als hij inderdaad al twintig jaar dood is, dan is hij overleden in de tijd dat jij hier als burgemeester kwam,’ zei Redt met zijn blik gericht op Wildhart.
‘Annie Dulman werkte hier toen ook al, als ik me niet vergis?’ vroeg Cram.
Wildhart knikte. ‘Klopt. In ben dit jaar twintig jaar in functie als burgemeester van Wadhuysen,’ zei hij. ‘Annie was toen al secretaris. Die werkt hier dit jaar dertig jaar. Maar de naam zegt me niets.’
‘Het is natuurlijk niet gezegd dat de beste man beneden in het archief is overleden,’ zei Redt. ‘Misschien is zijn lichaam naar hier verplaatst. Je weet het niet.’
‘Ook dat scenario zal vast door de politie worden onderzocht,’ zei Wildhart.
‘Twintig jaar in functie,’ zei Cram. ‘En Annie dertig jaar. Dat riekt naar een feestje. En niet zo’n kleintje ook.’
‘Misschien moeten we een feestcommissie beginnen,’ zei Kryns. ‘En zo snel mogelijk even peilen bij de fracties hoe groots we kunnen uitpakken.’
‘Daar bemoei ik me natuurlijk niet mee,’ zei Wildhart met een kleine glimlach. Hij voelde zich gevleid. ‘Laten we nog even wachten met dat op poten te zetten, om te zien hoe de gebeurtenissen zich ontwikkelen. Maar een feestje voor Annie en mij is mogelijk wel passend. Een diner sla ik niet af.’
‘Misschien met een defilé,’ zei Cram. ‘Burgers die langs het gemeentehuis gaan en een groet en een cadeau brengen.’
‘Je was toch fan van Bruce Springsteen?’ zei Kryns tegen Wildhart. De burgemeester knikte.
Redt schudde zijn wilde haardos. ‘En de burgers van Wadhuysen dan? Die moeten we er toch ook, wat zeg ik: vooral bij betrekken?’
Cram fronste zijn wenkbrauwen en keek Redt peinzend aan. ‘Ja, daar moeten we misschien wel wat mee, Ewald. Een feestje in onze schuren met dj Daan misschien. De eerste twee consumpties op rekening van de gemeente. Zoiets.’
Ewald knikte. ‘Goed, ik zal eens informeren bij Daan de Jong of hij daar oren naar heeft,’ zei hij.

Enkele kilometers verderop, in het dorp Kweldergat, at Rudolf Smit een broodje kaas in zijn onopvallende auto die schuin tegenover café De Jutter stond geparkeerd. De gemeentelijke toezichthouder had goed zicht op de ingang. Hij nam de van Andries Kooij verkregen opdracht om de kroeg van Tjerk Wielinga te observeren uiterst serieus. Voorzien van camera met telelens en een klein logboekje voor notities legde hij alle bijzonderheden rondom bezoekers vast. Hij wist niet waarom hij dit moest doen. De wethouder had het hem gevraagd, dus hij deed het. Hij bekommerde zich al helemaal niet om de vraag of de observatie wel spoorde met de bevoegdheden die hem als toezichthouder volgens de wet toekwamen. Hij zou er wel voor zorgen dat de resultaten van zijn onderzoek anoniem bij de wethouder zouden belanden. Op het gemeentehuis wisten ze niet beter dan dat hij op een meerdaagse cursus Handhaving Vergunningen in Maastricht was.
Vooralsnog was het een rustige middag. Enkel de postbode en een leverancier hadden het café bezocht. De laatste bracht fusten bier, de eerste nam bij Tjerk een borrel.

Op hetzelfde moment dat het College van B&W in speciale vergadering bijeen was en Rudolf Smit zijn broodje kaas at, bevond burgemeestersvrouw Sarah Wildhart zich in het centrale politiebureau van de stad. Ze wachtte al een tijdje alleen in een spreekkamertje op de eerste verdieping. Ze verdeelde haar tijd tussen het bijten op haar nagels en het kijken op haar mobiele telefoon, waarop met enige regelmaat meldingen en berichtjes binnenkwamen van vrienden en bekenden. Of ze nog even op het bureau wilde langskomen, had de rechercheur gezegd. Er waren nog enkele losse eindjes die aandacht behoefden. Prima, had ze gezegd, maar ze dacht er bij: als ze maar niet te diep doorvragen. Daarvoor was het nog te vroeg.

Wordt vervolgd

zondag 27 januari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 4: In de kroeg van Tjerk

geen schip verdwijnt
als het baken schijnt
geen boot zal stranden
als zijn lampen branden

In Café De Jutter in Kweldergat had kroegbaas Tjerk Wielinga de grote houtkachel goed opgestookt. Buiten scheerde een straffe noordooster winterwind laag over het Wad. Af en toe sloeg regen of hagel tegen de ruiten van de donkere kroeg.
Binnen, aan een tafeltje bij de kachel, zaten Tjerks enige twee gasten. De één een dertiger met een nette haardos, gestoken in een colbertje en voorzien van een slecht geknoopte das, de andere een vijftiger met wild grijs haar, stevige bakkebaarden en gekleed in een rode slobbertrui die net de welving van de buik kon verhullen.
‘Wolle jo noch wat drinken?’ vroeg Tjerk aan de beide mannen, Ewald Redt en Andries Kooij. De wethouders keken elkaar aan en knikten vriendelijk naar Tjerk. ‘Doe nog maar twee Friese berenburg. Omdat je zo aandringt,’ zei Kooij.
‘Komt voor elkaar, hearen.’
Redt nam een bierviltje in de hand en draaide die wat rond. ‘Ik speel met de gedachte een dienstreis te ondernemen naar Friesland,’ zei hij. ‘Misschien heb je zin om mee te gaan.’
‘Naar Friesland?’ antwoordde Kooij. ‘Tja, ik vind het prima. Blijven we overnachten?’
‘Ik heb geen idee hoe ver het reizen is. Ik weet zelfs nog niet waar we moeten zijn. Misschien weet Tjerk het.’
‘As jo praat oer de duvel, staat ie klaar om jo te bedienen.’ Tjerk zette twee berenburgjes op tafel en schoof een stoel aan. De grote blonde Fries, voorzien van een dikke bos krullen en een stoppelbaard, torende ongeveer een hoofd boven de wethouders uit. ‘Fertel my, wat wolle jo weten over mijn heitlân.’
Ewald Redt nipte aan zijn berenburg. ‘Ik heb eens gehoord over een kerkje in Friesland waar ze mummies hebben gevonden. In een grafkelder of zo.’
Kooij verslikte zich bijna in de slok berenburg die hij had genomen en trok zijn wenkbrauwen in verbazing omhoog. Mummies? Wat is Redt van plan? Het onderzoek naar het gemummificeerde lichaam dat Sarah Wildhart had gevonden onder het gemeentehuis was nog in volle gang en vooralsnog zorgvuldig uit de media gehouden. Het onderwerp ‘mummies’ kon dezer dagen van bestuurlijke zijde beter gemeden worden. Als hij nu maar niet met vuur speelt, dacht Kooij.
‘Eh, mummies Ewald?’ zei Kooij. ‘Weet je het zeker? Wil je het echt over mummies hebben?’
Redt gaf Kooij een geruststellende blik en wende zich tot de kroegbaas. ‘Heb je daar van gehoord, Tjerk? Die mummies in die Friese kerk?’ vroeg Redt.
‘Joa, dat is Wieuwerd hè? Ze troffen een paar honderd jaar geleden een tiental dead lichems die niet waren vergaan. Dat waren zo maar mummies geworden. Een grutte mystearje hoe dat kon gebeuren.’
‘Ja,’ zei Redt. ‘Je kunt ze zelfs bezoeken. Man, hordes toeristen schijnen erop af te komen.’
Tjerk knikte. ‘Joa, dat schijnt een dikke pot jild op te leveren.’
Andries Kooij knipperde met zijn ogen en keek Redt vragend aan. Ewald Redt had recreatie en toerisme in portefeuille. Hij zou toch niet willen dat Wadhuysen een soort tweede Wieuwerd werd? Kooij schudde zijn hoofd, alsof hij de bizarre gedachte kwijt wilde raken.
Tjerk begon plots te lachen en te wijzen naar Redt. ‘Ik wit waar jo naar toe wolle! Jij wil ook zoiets voor Wadhuysen!’
Redt en Kooij keken verbaasd naar Tjerk. ‘Wat bedoel je Tjerk?’ zei Kooij. ‘Wat hebben mummies nou met onze gemeente te maken?’
Tjerk wilde wat zeggen, maar hield zijn mond en keek naar de grond. Er viel een stilte. Rode blossen verschenen op zijn wangen. ‘Jongens, wat is het hier warm.’ Hij stond op. ‘Ik moet nodig wat doen in de keuken.’
Toen Tjerk goed en wel in de keuken was, vroeg Kooij zijn collega om opheldering. ‘Verdomme Ewald, wat heeft dit te betekenen? Waarom vraag je naar die mummies? En ben ik nou gek, of krijg ik nu echt de indruk dat Tjerk weet van de vondst van het lichaam in het archief?’
Redt schudde zijn hoofd. ‘Sorry Andries, ik weet echt niet wat Tjerk ervan weet. Maar ik zat wel stiekem te denken. Stel je voor dat we ook zoiets bij ons kunnen doen? Je kent de statistieken. Wadhuysen en Kweldergat trekken nul komma nul toeristen. Nou ja, behalve de bezoekers van de Waddenburcht dan. Maar daar verdienen we niks aan en die zien we eigenlijk nooit. Niemand vindt het hier verder aantrekkelijk. Nou, regeren is vooruitzien toch? Kansen grijpen als die zich voordoen? Wie weet wat ons het als gemeente kan opleveren als we de mummie van Wadhuysen in het archief ten toon stellen.’
Kooij kon Redts gedachtegang niet bevatten. ‘Man, we weten nog niets van wat er gebeurd is,’ zei hij. ‘De politie wil niks kwijt. De burgemeester wordt op de hoogte gehouden door de hoofdofficier, maar Wildhart meldt ons niets. We weten nog steeds niet wie het is. Bovendien is het iemands vader misschien. Iemands echtgenoot. Dan wil je toch niet dat busladingen Japanners op de foto gaan met je kerel, in die toestand? En ondertussen lijkt Tjerk de kroegbaas van de hoed en de rand te weten.’
Redt ging achterover zitten. ‘Ik heb geen idee, Andries. Als ik er niet over begonnen was, hadden we niet het vermoeden gekregen dat Tjerk misschien van de situatie weet.’
‘Hij heeft het niet van jou?’
‘Echt niet. Dat zweer ik op het graf van Karl Marx.’
‘Dan heeft iemand anders uit de school geklapt.’
Het viel even stil. Redt oogde vermoeid, Kooij keek fel uit zijn ogen. ‘Ik weet wat ik ga doen,’ zei Kooij. ‘Ik geef onze toezichthouder opdracht in kaart te brengen welke mensen hier in deze kroeg komen en die bovendien bij ons werken op het gemeentehuis. Als dat niets oplevert, moet het net wijder getrokken worden. Familie, vrienden, buren. De onderste steen moet boven.’
Redt wilde iets zeggen, maar juist op dat moment zwaaide de deur van de kroeg open, de noordoosten wind, een vlaag regen en een oudere man binnen latend. Hij droeg een bril met ronde glazen, een windjack en een muts. Terwijl de man de deur sloot, stapte Tjerk net uit de keuken. ‘Goeie middei, Dirk,’ zo begroette Tjerk oud-ambtenaar en amateur-historicus Jenstra. ‘Alles goed?’
‘Jawol,’ antwoordde Jenstra. ‘Zeg Tjerk, ik zag foto’s op je facebook. Ik was even nieuwsgierig naar de koelkast die jo gevonden hebt aan de kust. En ook wol ik de gejutte sieraden even zien. Ik ken een dame die ik misschien een plezier kan doen met een paar mooie oorbellen uut het Wad.’
‘Als je de dame bedoelt die ik denk dat je bedoelt, dan weet ik zeker dat ze er dol op zal zijn,’ zei Tjerk met een knipoog. Plots realiseerde Tjerk zich dat hij nog twee gasten in zijn kroeg had zitten, die zwijgend naar hen hadden zitten kijken. ‘Kom Dirk,’ zei Tjerk. ‘Kom maar gauw even in de keuken kijken naar het spul.’ Hij legde een hand op Jenstra’s schouders en duwde hem voort naar de keuken. ‘Kom, kom maar gauw, ik moet door omstannichheden zo even wat eerder sluiten.’

Wordt vervolgd

maandag 21 januari 2019

"Wadhuysen" - Aflevering 3: De stroper

bij laagwater, vanaf de kwelder
kun je hem zien, in de verte

bij maanlicht glimt hij
hij lijkt beslagen met koper

een boegspriet? is het rijshout?
nee: het is de stroper

In de oude schuilhut op de kwelder tussen Wadhuysen en Kweldergat, de twee dorpen in de gemeente Wadhuysen, ontstak Harm een zwak licht. Buiten zakten zon en temperatuur. Vanavond zou het gebeuren. Harm wist het zeker. Hij floot een vrolijk lied.

Een door hem zelf vervaardigde kaars van zeehondenvet walmde zwarte rook en stonk. Hij gebruikte deze kaarsen sinds de nachten in het najaar langer werden. Dat was nu voor het derde jaar. Zelf rook hij de stank al lang niet meer.

Hij schilde een vijftal aardappelen en deed ze in de pan met kokend water op het houtvuur. Winterpenen en uien volgden. Hutspot. Zijn favoriete maaltijd toen Sientje nog kookte. Toen Sientje nog leefde.

Hij rook aan de gisteren gebraden blokjes vlees. Die zou hij straks door de stamppot doen. Hij dacht terug aan de grijze zeehond die hij enkele weken geleden had gedood om het vlees te bemachtigen, als ook het vet voor zijn kaarsen. Nieuwsgierig had het dier naar Harm opgekeken, gespeend van angst en van vijanden vanaf het land.

Het waaide nauwelijks, maar toch verkilde een noordelijke luchtstroom de houten hut op de kwelder. Kieren, gaten en scheuren lieten de kou door. Kieren, gaten en scheuren. Kieren, gaten en scheuren hadden zijn leven beheerst sinds 2012, het jaar van de aardbeving bij het dorp Rassing. De Rassinger Klap. De Rassinger Hel. Veel schade, meervoudige schade. Getouwtrek, rapporten, veel rapporten. Advocaten, adviseurs. Onzekerheid, woede; heel veel woede. Tot het gevoel van onmacht kwam. Het gevoel in de steek te zijn gelaten.

Hij hoorde steeds de stilte in het geroep van de vlaggenzwaaiers. De leegte in de taal van de goedbedoelende breedsprakigen. We doen het samen, je staat niet alleen. Maar van de vele avonden in de dorpshuizen herinnerde hij zich slechts de rode achterlichten van de wegrijdende kamerleden. Steeds weer alleen in de kou. Het was allemaal zinloos gebleken. De protesten, de fakkels, de spandoeken. Geketend aan een hek, leuzen scanderend, maar in werkelijkheid als slaaf geketend in een wereld die draaide rond een as van macht en geld. Grote woorden in de Kamer, links wast rechts de oren, keer op keer, maar het bleef maar etteren. Wat als de rollen waren omgedraaid? Als links van meet af aan de kraan had mogen bedienen? Het ging om macht, het ging om geld.

Waar was de overheid als je haar nodig had? Had zij niet de plicht haar inwoners te beschermen? Steun, een bemoedigend woord, begrip: niets van dat alles. Partijbelangen, oogkleppen en onkunde: dat dan weer wel. In oeverloze mate.

Terwijl de strijd woedde in een bewust gecreëerde bestuurlijke wirwar van afhankelijke onafhankelijke instanties, werd Sientje ziek. Ernstig ziek. Ze had gestreden, met de steun van Harm, zoals ze samen hadden gestreden om hun huis, om hun veiligheid, om hun toekomst. Maar het einde kwam. Meedogenloos en hard, onomkeerbaar. ‘Beloof me dat je niet opgeeft,’ had ze gezegd, vlak voor haar dood. ‘Laat het niet voor niets zijn geweest.’

Hij had haar as verstrooid op het Wad boven het nieuwe land tussen Wadhuysen en Kweldergat, nabij het eiland Waddenooghe. Samen met zijn broer. ‘Je moet zorgen dat ik hier ook terecht kom, als mijn tijd is gekomen,’ had Harm tegen zijn broer gezegd. Maar zijn broer overleed vlak daarna ook.

Hun geschonden huis had een eind ten oosten van Kweldergat gestaan, in een naburige gemeente, nabij de Grote Haven. Maar hij kende het kustgebied rond Wadhuysen en Kweldergat goed. Hij kwam er, toen Sientje nog leefde, vaak om te dwalen en te zwerven, om de zinnen te verzetten. Zo wist hij van de leegstaande schuilhut, ooit in gebruik voor noodgevallen bij de kwelderwerkers van weleer. Na de dood van Sientje had hij de afgelegen, hoger gelegen hut betrokken. Met enkele ingrepen had hij de plek bewoonbaar kunnen maken.

Hij leefde van het land van de boeren in de omgeving en de dieren die hij wist te doden. Water was vaak een probleem, met name in de zomer, als het zomaar een tijdlang droog kon zijn. Gelukkig werden de schapen die op de zeedijk achter hem liepen in droge periodes regelmatig voorzien van drinkwater.

Slechts een enkeling had hem werkelijk in en nabij de hut opgemerkt, maar dat was genoeg: Wadhuysen en Kweldergat kenden hem als ‘de stroper’. Ze lieten hem vooralsnog geworden; als het te gortig werd, stuurde boer Crams wel een knecht op hem af.

Harm veegde zijn mond schoon en stond op. Hij deed zijn jas aan, knoopt zijn sjaal om en deed zijn geelbruine muts op. Gymschoenen aan zijn voeten. Hij blies de rokerige kaars uit en stapte naar buiten. De kwelder was drassig en glibberig.

Hij voelde de kou aan zijn oren en trok de muts dieper over zijn hoofd. Hij nam een door hem zelf gevonden pad, slingerend over hogere ruggen op de kwelder, naar de zee. Met moeite baande hij zich een weg. De grond zoog af en toe aan zijn voeten.

Aan het einde van de kwelder, aan de zeekant, bleef hij een tijdje staan. Hij wist dat het hoogwater begon te worden. De zee drong langzaam de kwelder binnen door de kreken en de geulen.

Hij stapte van de kwelder in een voetdiep laagje water en liep het Wad op. Een volle maan verlichtte de zee. Hij wist dat hij lopend en wadend een heel eind kon komen, door de harde zeebodem aan het begin.

Het water steeg gestaag, de zeebodem liep flauw af. Ten noordwesten zag hij, op ongeveer drie kilometer afstand, het baken van Waddenooghe.  

Hij liep door, verder en verder, wadend. Toen het water zijn dijen bereikte, voelde hij pas de immense kou van de gestaag oprukkende zee. Moeizaam, langzaam en rillend bewoog hij zich voort.

Enkele maanden na Sientjes dood had Harm gemerkt dat hij op was. Leeg. ‘Hou vol,’ had ze tegen hem gezegd. ‘Geef niet op.’ Maar waar viel nog voor te vechten? Het was hun huis geweest, hun leven, hun toekomst. En nu was hij alleen. Hij miste zijn lief, haar energie, haar strijdvaardigheid. Moest hij nu in zijn eentje strijd leveren tegen onrecht? Alleen hij tegenover Grote Woorden, loze woorden, in een woordenstrijd?

Het water stond nu aan zijn middel, het waden ging steeds moeilijker. De zeebodem werd nu merkbaar zachter. De vloed deed zijn tempo verder dalen.

De bodem zoog, steeds krachtiger, tot hij uiteindelijk geen stap meer kon verzetten. Hij stond stil, omringd door klimmend water.

‘Hou vol, leef de rest van je leven, ik zal er zijn als jij ook gaat,’ had Sientje gezegd. Gelovig waren ze niet. Verre van dat. Maar de gedachte aan een weerzien, later, gaf hoop. God had daar wat hem betreft niets mee te maken. Die had geen patent op hoop of een wereld na de dood. Hoop op een mooiere wereld met Sientje: dat was het. Ontdaan van onzekerheid, zonder stress.

Hij zou ook zijn broer weer zien. Zijn vader en zijn moeder. Zijn zus. Wellicht ook zijn vriend Arend Reegman. Als die was overleden. Dit jaar was het precies twintig jaar geleden dat zijn beste vriend, die toentertijd in Wadhuysen woonde, zomaar was verdwenen. Zo maar, zonder een teken te hebben achtergelaten.

Het water kwam nu tegen zijn borst. Hij stond tot over zijn enkels weggezakt in de bodem van de zee.

Angst en paniek golfden over hem heen. Hij wilde weg. Zijn instinct accepteerde geen vrij gekozen dood. IJskoud water sloeg in zijn gezicht, hij hapte naar adem. Hij kon geen kant meer op. De vloed duwde hem zachtjes naar achteren. Hij richtte zijn gedachten op Sientje. Ben je daar? Kom je me halen?

Het water stond nu aan zijn lippen. In de verte hoorde hij de stem van Sientje. Haar aanstekelijke lach.

Hoogtij, dacht Harm, zich overgevend. De hoogste tijd. Sientje omhelsde hem, kuste hem. Hij keek in haar ogen, eindelijk weer, en verdronk erin. Een laatste golf overspoelde hem.

Een eindje achter haar stond Arend, met een brede grijns.

Het baken van Waddenooghe knipperde kort.

Wordt vervolgd


maandag 14 januari 2019

"Wadhuysen"- Aflevering 2: Locus delicti


schijn spiegelt mat
in het venster
in het Wad
in dat, wat er toe doet

Burgemeester Wilbert Wildhart daalde met kloppend hart de lange trap af naar het oude archief. Na de collegevergadering had hij het gemeentehuis verlaten voor een ommetje langs het Wad, maar hij was na een kwartier lopen snel teruggekeerd nadat hij een verward appje vol taalfouten had gekregen van zijn vrouw Sarah: ‘kom sbdk naarvher gemeentehiid er isceen didevman!!’ Bij de balie aangekomen, bemenst door Martha, bleek hem dat er iets aan de hand was in de oude archiefruimte onder het gemeentehuis.

De ruimte kende enkel stokoude documenten en was alleen nog een bewaarplaats voor het historische archief. Alleen Dirk Jenstra kwam er af en toe nog. Jenstra was een amateurhistoricus die zich na zijn pensionering had gericht op het in kaart brengen van de historie van Wadhuysen. Wildhart en Jenstra hadden een jaar of vijftien samen op het gemeentehuis gewerkt: Wildhart als burgemeester, Jenstra op diverse posten als ambtenaar. Als hem maar niets is overkomen, dacht Wildhart.

Beneden trof hij zijn vrouw Sarah, die zich leek te verschuilen achter de wethouders Redt en Kooij. De wethouders Crams en Kryns waren er ook. Wildhart schrok van wat hij zag. Kryns zat geknield bij een lichaam dat languit op de grond lag voor een grote kast, de armen gestrekt. Oude dossiermappen en vergeelde papieren met handgeschreven teksten lagen deels onder en om het lichaam op de grond. ‘Wat is er gebeurd,’ vroeg Wildhart. ‘Leeft hij nog?’
Kryns stond op en keek de burgemeester een tijdje diep in de ogen. ‘Hij is dood, burgemeester. Reanimatie heeft geen enkele zin, los van de vraag of we in het algemeen ooit als mens een hemelgang moeten willen omkeren als de Heer iemand in Zijn Rijk heeft ontboden. Laten we hopen dat zijn ziel in de hemel is, bij zijn dierbaren en Onze Heer.’ Wildhart knikte. Hij kwam nu dichterbij het lichaam. Was het Jenstra? Hij keek nog wat beter en fronste. ‘De huid…’
Sarah verliet de bescherming van Redt en Kooij en greep de hand van haar man. ‘Ja dat bedoel ik! Hij is hartstikke dood! Al heel lang dus!’ De huid van de zichtbare handen en polsdelen oogden lichtbruin en leerachtig en was strak om de botten gespannen. Kryns knikte langzaam. ‘Dit schaap Gods lijkt ons reeds lange tijd geleden ontvallen te zijn,’ zei hij. ‘Zijn huid lijkt op die van een mummie.’

Burgemeester Wildhart bedacht zich plots dat hij Jenstra eigenlijk al heel lang niet meer had gezien. Was het voor het laatst afgelopen zomer? Dat zou dan bij de jaarlijkse barbecue van de Historische Vereniging Wadhuysen zijn geweest. Zou het dan toch Jenstra kunnen zijn?

Kryns knielde weer bij het lichaam en vouwde zijn handen. Die gaat in een diep gebed, wist Wildhart. Hij had diep respect voor Karel Kryns, zowel voor de mens als de politicus. Hij had hem nu al enkele bestuursperiodes meegemaakt. Kryns was de politiek ingestapt met een welhaast heilige missie. Zijn partij, Kerk in Staat, was gegrondvest op diepgewortelde christelijke beginselen, maar bovenal op de zeer sterke overtuiging dat de scheiding van kerk en staat een verkeerde keuze was geweest. Zelf was Wildhart al sinds zijn volwassenheid lid van de AP, de Agropartij. Die was in de recente verkiezingen de tweede partij geworden, met Crams als lijsttrekker. Maar de laatste tijd dacht hij steeds meer na over een overstap naar Kryns’ partij. Hij had daarover al diverse gesprekken gevoerd met Kryns. Kryns’ partij nam de Heilige Schrift tenminste nog werkelijk serieus, in ieder geval meer dan zijn Agropartij. Naarmate burgemeester Wildhart ouder werd, zo merkte hij, keerde hij zich steeds meer tot de Bijbel voor steun en inspiratie. De zestiger zag de inwoners van de gemeente Wadhuysen graag als hardwerkende paarden, maar dan wel paarden die sturing behoefden vanaf de bok, met de Bijbel stevig in de hand als het leidsel.

‘We moeten zo snel mogelijk de autoriteiten inlichten,’ sprak Redt. Bij het uitspreken van het woord ‘autoriteiten’ trilde zijn linker ooglid. Kryns keek verstoord op, de handen nog steeds gevouwen. ‘Ik ben daar druk mee doende Ewald.’
‘Hij bedoelt denk ik de aardse autoriteiten,’ zei de burgemeester. ‘Nou, het lijkt me goed dat we niets aanraken en de ruimte verlaten. We moeten zorgen dat niemand hier binnen kan komen, behalve de politie. Sarah, wil jij Martha vragen of zij deze ruimte afsluit? Ik ga naar mijn werkkamer en ga bellen met de hoofdofficier van justitie.’

Nadat ze met Martha had gesproken en haar de instructies van de burgemeester had gegeven, verliet Sarah Wildhart direct het gemeentehuis. Als de politie me wil spreken, zoeken ze me maar op, dacht ze. En de politie zou haar zeker willen spreken, nu zij degene was die het lichaam had gevonden. Maar het zou nog wel even duren voordat de politie ter plaatse kon zijn. Wadhuysen had zijn eigen politiepost al jaren geleden verloren. Voor bijstand was de gemeente aangewezen op de grote stad, die op zo’n drie kwartier rijden lag.

Sarah ging niet rechtstreeks naar huis, maar naar haar buurvrouw en beste vriendin Klaartje. Die schonk bij het zien van de duidelijk aangedane burgemeestersvrouw direct een robuust portje in. ‘Nou meid, jij kunt wel een hartversterkertje gebruiken, zie ik. Vertel, wat is er gebeurd?’
In een lawine van woorden deed Sarah verslag van de vondst van het lichaam in de oude archiefruimte.
‘Wacht even,’ zei Klaartje, nadat ze het relaas aandachtig had aangehoord. ‘Dus je liep de lange trap naar beneden, en eenmaal in die archiefkamer deed je het licht aan en zag je een diepe kast met de deuren open en een lichaam er voor, op de grond.
‘Ja, dat zei ik,’ zei Sarah. ‘Het was net of hij voorover uit de kast was gevallen. Ik vroeg of het goed ging en kwam dichterbij. Toen zag ik dus die huid en was me wel duidelijk dat hij dood was. Hartstikke dood. Ik raakte in paniek en rende weg, naar boven.’
‘Dit was dus in het gemeentehuis.’
‘Ja. Zoals ik je vertelde, was ik daar omdat ik Wilbert even wilde spreken na de collegevergadering. Maar hij was er niet.’
‘En je vond daarna dat lijk in het archief.’
‘Ja, in het oude archief onder het gemeentehuis. Dat heb ik toch allemaal gezegd?’
‘Ja lieverd, dat heb je allemaal gezegd, maar wat ik niet snap is: wat deed jij als vrouw van de burgemeester in ‘s hemelsnaam in het archief van de gemeente?’

Wordt vervolgd